‘Veel te veel onzichtbare kunst’ kopte dagblad Trouw in december.[1] De musea kunnen slechts vijf procent van hun collecties laten zien, verzekeringen zijn te duur om kunstwerken uit te lenen en er is te weinig geld om objecten en documenten te digitaliseren en toegankelijk te maken. Transparantie en openbaarheid zijn sleutelwoorden aan het begin van de 21e eeuw. Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat er nog veel niet te zien is. Hoe rekbaar, of zelfs misleidend, zijn begrippen als transparantie en openbaarheid? Een andere belangrijke vraag die opkomt is wat de gevolgen zijn van digitalisering van fysieke collecties en de opkomst van digitale archieven? In hoeverre functioneert een digitaal archief anders? Worden collecties en archieven toegankelijker? Krijgen we straks inderdaad meer te zien, worden verbanden tussen de werken en documenten in het archief duidelijker en wordt het verleden naar het heden inzichtelijker? Oftewel, wat gaan we (meer) leren van het digitale archief?

Het museum en het archief

Het archief wordt vaak gezien als het fundament van een organisatie en voor Het Nieuwe Instituut is dat niet anders. De verzameling documenten, foto’s, maquettes, eerste schetsen en persoonlijke aantekeningen van architecten, designers en kunstenaars is indrukwekkend, maar tegelijkertijd is lang niet alle informatie makkelijk te vinden. Het instituut heeft zich daarom ten doel gesteld het archief breder inzichtelijk te maken, zoals ze zelf zeggen ‘wil dit archief zijn maatschappelijke waarde en daarmee zijn legitimiteit versterken, dan is ontsluiting – met name voor een groter publiek – een vereiste.’ Archieven hebben de taak om (cultureel) erfgoed te bewaren voor de toekomst. De functies van een archief worden in het algemeen omschreven als het bewaren, het ontsluiten en het beschikbaar stellen van bronnen. Een archief is er om het nationaal geheugen en de individuele herinnering en geweten te dienen. Binnen deze drie-eenheid ontstaat een dynamische spanning tussen het verleden, het heden en de toekomst: het begrijpen over wat er gebeurt is, en inzicht geven bij wie of waar we bij willen horen. In het algemeen stond het begrip van het (recente) verleden centraal in een archief, maar tegenwoordig is er een verschuiving naar openbaarheid van documenten en objecten. Dit betekent dat oude papieren geschriften en analoge foto’s gedigitaliseerd worden en maquettes en objecten digitaal vereeuwigd de computerdatabase ingaan. Onder andere dankzij de drang naar openbaarheid en het gemak van het digitale domein om die toegankelijkheid tot stand te brengen, verandert het archief van een voornamelijk papieren ‘stofnest’ naar een digitale ‘onzichtbare’ ruimte. Maar wat zijn de consequenties van deze verandering? Wat is de impact van een digitale database op een fysiek archief en zijn objecten, en vice versa?

Archieven zijn culturele producten waarvan de locatie, de organisatie en het onderhoud in belangrijke mate bijdragen aan de waarde van de kennis en het creëren van betekenis. Oftewel, het medium dat de objecten in een archief toegankelijk maakt en het systeem waarop het steunt als ook de omgeving waarin zich het bevindt bepalen de wijze waarop een archief functioneert en welke macht het uitoefent. Het samengaan van deze fundamentele kenmerken van het archief zijn al vaak bediscussieerd in de geschiedenis. Hierbij staat vaak de vraag centraal, in hoeverre en op welke manier het archief als systeem invloed uitoefent op de productie van kennis en betekenis? Met de opkomst van digitale ontsluitingsmechanismes in de vorm van database management systemen blijft deze vraag onverminderd belangrijk. Terwijl een database vergelijkbare functies en waarden kent als een archief, kan zijn nieuwe technische structuur een andere uitwerking hebben op hetgeen zich in de database bevindt. In andere woorden, de administratieve verwerking van een object of document is nooit hetzelfde als een beschrijving van wat het voorstelt, en bovendien beïnvloedt het medium in meer of mindere mate hetgeen het beschrijft.

Van memory en storage naar voorspellende algoritmes

Zoals gezegd vormt het archief vaak in belangrijke mate de basis van een organisatie. De collecties in het archief vormen de kern van de activiteiten voor tentoonstellingen, educatie, onderzoek, etc. Evenals het archief heeft het museum door de tijd heen onder vuur gelegen van critici waarbij het gekenschetst werd als een belichaming van westerse culturele dominantie. Terwijl de meeste musea de kritieken weerstonden, lijkt zijn autoritaire positie tegenwoordig te wankelen door het gedrag van het algemene publiek die toegang krijgt tot de digitale bestanden van het museum. Gebruikers van het digitale archief kunnen in veel gevallen informatie kopiëren, opslaan, veranderen en verspreiden. Inspelend op deze trend begint het museum zich te voegen naar zijn nieuwe rol: van een opslagplaats van fysieke objecten naar een dataset van digitale bestanden. Met deze verandering verplaats de aandacht van de bezoekers zich niet alleen van een fysieke naar een ‘virtuele’ omgeving, maar tegelijkertijd verandert ook de omgang met de objecten. Terwijl een museum een (historisch) perspectief of context biedt waarin het de bezoeker aangemoedigd te reflecteren, analyseren, herinneren of verbindingen te zoeken, werkt de database op een tegenovergestelde manier.[2] Een database reageert op basis van input en zoekt naar informatie door de meest efficiënte verbindingen te maken. Hierdoor kunnen bepaalde verwachte uitkomsten uitblijven, maar kunnen ook onverwachte resultaten naar boven komen.

Een ander belangrijk verschil in de omgang met het verleden, en met name herinneringen, komt voort uit de andere werking van het geheugen. Het geheugen in de computer werkt namelijk niet op dezelfde manier als waarop een museum zijn geheugen, i.e. de collecties in het archief, beheert en behoudt. Computer geheugen (memory) doet het tegenovergestelde van bewaren (storage). Het keert niet steeds terug naar een document, maar iedere keer als een document opnieuw wordt gestart opent het ‘geheugen’ een kopie van het document dat vervolgens als een ander document of ter vervanging van de vorige versie opgeslagen kan worden. Met andere woorden, we kunnen in letterlijke zin nooit hetzelfde document twee keer openen, oftewel bewaren is tegelijkertijd ook creëren.[3] Door op deze manier naar geheugen te kijken wordt het verschil in de functie en werking van een digitale database ten opzichte van een fysiek archief duidelijk: niet langer worden we geleid naar het verleden, maar iedere keer richten we ons op een nieuwe versie, oftewel op de toekomst. Terwijl het museum altijd gericht was op het vertellen van verhalen, is de werking van de database gericht op het vertalen en naar boven halen van geordende logica en maakt het iedere keer opnieuw voorspellingen en connecties. Maar evenals dat directeuren, curatoren en archivarissen specifieke selecties maken, wordt de ordening in de database voor een groot deel van te voren door programmeurs bepaald.

Van inhoud naar ontwerp

De ordening van een archief is gedeeltelijk bepaald door het specifieke programma dat gebruikt wordt, wat daarna verfijnd en op maat gemaakt wordt door de database administrator in overleg met de archivarissen. Vanzelfsprekend eist een digitaal systeem andere voorwaarden en wordt het met een andere doel en belang opgezet dan een tentoonstelling, een onderzoek of een discussie. De technische principes van een database vragen om een heldere indexering en structuur waarbij de eindgebruiker het uitgangspunt vormt en geen hoger doel wordt nagestreefd van een organisatie of abstracte dienst als het historisch geheugen. Het systeem van een database draait om logica en structuur om iets snel en gemakkelijk op te kunnen zoeken. Het verschil tussen een digitaal en een fysiek archief gaat hier niet meer om welke vorm de data aannemen, maar hoe de structureringsprincipes de gegevens filteren, toegankelijk maken en gebruiken. Een digitale database kan veel makkelijker en sneller op talloze manieren verschillende elementen (her)groeperen. In het fysieke archief bestaat de idee van een originele of authentieke ordening die door de archivaris wordt onderhouden en aangepast, maar in een digitaal archief geldt dat niet meer.

De wereld van de computer, databases en code is weerbarstig en doorgaans niet transparant. Computerprogrammeur en journalist bij de New York Times, Ellen Ullman, heeft meerdere malen laten weten dat programmeurs vaak niet weten waar ze aan beginnen. Dit wordt vooral veroorzaakt door de snelle opeenvolging van verandering en de daaraan onderhevige onzekerheid over wat de volgende stap zal brengen. In Ullman’s woorden, ‘het logische gevolg van constante verandering is onwetendheid.’[4] Als makers van systemen niet altijd volgens een voorbedacht doel werken – hoewel de opdrachtgever dat misschien wel denkt te hebben aangegeven – en zich laten leiden door het proces zelf – waarin vooroordelen, verlangens en schimmige beslissingen bij elkaar komen – wat betekent dat dan voor het uiteindelijke systeem, zijn structuur, de informatie en documenten die er ingezet worden en zijn gebruikers? Niet alleen wordt hiermee de zogenaamde openheid aan het wankelen gebracht, maar ook de gedachte dat een systeem autonomer is dan de dominante beslissingen van een directeur, archivaris of curator. 

Experimenteren in het archief

Deze korte uiteenzetting roept verschillende vragen op. Bijvoorbeeld, wat gebeurt er als een digitaal archief niet meer alleen toegankelijk is voor de archivaris maar voor allerhande bezoekers? Wie zijn die bezoekers, wat willen zij en wat doen zij? En welke impact heeft het ‘transparantie-mantra’ op de autoritaire status van het museum en zijn archief? Binnen een serie van vijf opdrachten gaat Het Nieuwe Instituut deze vragen onderzoeken. Het uitgangspunt is ‘het archief als systeem’. Verschillende ‘archief-denkers’ gaan zich bezig houden met de notie van de deconstructie van het digitale archief. Ze richten zich niet op de bouw van een nieuw archief of op onderzoek naar de inhoud van het archief, maar zij zien het archief als iets dat voortdurend in beweging is: iets dat tegelijkertijd grotendeels onzichtbaar is en monumentaal, verborgen en alomtegenwoordig. De verkenning van het archief is urgent omdat de karakteristieken van het digitale archief om een herijking vragen van de materiele waarde van de (digitale) documenten die niet alleen meer verwijzen naar het verleden maar zich in het gebruik richten op het heden en de toekomst.

Wordt vervolgd …

Met elke volgende opdracht wordt een nieuwe dimensie toegevoegd aan deze tekst. Op deze manier worden de diepere lagen van het archief naar boven gehaald en wordt het archief tegelijkertijd verder uitgebouwd.

 


[1] Henny de Lange, ‘Veel te veel onzichtbare kunst’, Trouw de Verdieping, 11 december 2014.

[2] Voor meer informatie zie de analyse van Mike Pepi over de verschillen tussen het functioneren van een museum en een database in zijn artikel ‘Is the Museum a Database?: Institutional Conditions in Net Utopia, e-flux, 12/2014 (geraadpleegd, 17 december 2014).

[3] In zijn boek Mechanisms. New Media and the Forensic Imagination (Cambridge, MA: The MIT Press, 2008), gaat digitaal forensisch expert Matthew Kirschenbaum dieper in op de impact van het verschil tussen memory en storage en de gevolgen ervan op conservering.

[4] In haar boek Close to the Machine. Technophilia and its Discontents (London: Pushkin Press, 1997) legt Ullman op heldere en licht ironische wijze uit hoe het proces van een system ontwerpen en het programmeren verloopt.